DENDERENDE STILTE IN DESOLATE VERLATENHEID

Verwacht van mij geen journalistiek verslag nu, een dag voor de officiële plechtigheden.

Ik dwaal eenzaam langs wanden met de namen van onze vermoorden en wordt bestormd door verwarde gedachten, emoties, verdriet en kwetsbaarheid. Ik ben hier als nabestaande. Ik zal hun namen lezen.

 

In de verlatenheid word ik omringd door 102-duizend dode namen van doodgewone mensen die er doodgewoon niet meer mochten zijn. Want weg met jullie. Jullie is Jodenvolk, was ooit een gezegde. Dit Semitisch uitvaagsel zal en moet uitgevaagd. Uitvagen is wegvegen, is uitvlakken, is uitraderen. Een Germanisme, bedenk ik nu. Ausradieren. Weg met jullie, jullie Jodenvolk. Weggevaagd zijn jullie, mijn geliefde doden. Jullie, mijn vermoorde familie die ik nooit heb mogen kennen. Mijn grootouders hebben mij even in hun armen kunnen houden,

ze zullen mij hebben geknuffeld. Ze zullen ook wel gezegd hebben dat ik een wolk van een baby was en precies leek op… Ja op wie? Enkele maanden daarna zijn ze ausradiert met ruim veertig andere familieleden. Ik zie de namen van 130 mensen die Meijers heetten. Nog steeds heten. Ergens op de namenwand, iets verderop, de naam van Greta Frank een vermoord meisje van 1 jaar en schuin daarboven de naam David Frank, die 80 jaar was toen zijn moordenaars toesloegen.

Ik loop terug naar de wand met namen van mijn familie en anderen met de naam Meijers. Maurits Meijers, in 1939 geboren en twee jaar later vermoord voor de goede zaak van het Arische volk. Meijer Meijers was 80 toen hij de gaskamer werd ingedreven.

De onnatuurlijke vredigheid van de wanden om mij heen schreeuwt het verleden in mijn oren, raakt mij fysiek aan. Huivering. Traan. Zakdoek.

De namen van mijn grootouders. Opa er is zoveel gebeurd sinds jij niet meer mocht leven. Teveel om op te noemen. Ik vertel je wel dat enkele jaren naar jouw dood – ik mag je toch tutoyeren, hè? Dat doen we tegenwoordig – de Joodse staat Israël is opgericht. Een eigen staat. Een eigen taal. Een eigen leger. Hoe vind je dat?

Leo Meijers, de broer van mijn moeder, was journalist en werkte bij dezelfde krant waar ik later ook zou werken. Toen zijn ouders, mijn opa en oma, waren ‘weggevoerd’ besloot hij samen met zijn vriendin te vluchten, waarschijnlijk naar Spanje of Zwitserland. We zullen het nooit weten.

Via het verzet kregen ze voor de eerste nacht een onderduikadres bij een boerengezin in Landgraaf (Limburg) ’s Nachts kwamen ze bij de boerderij aan, werden binnengelaten en toen ze sliepen is hun keel doorgesneden. Hun lijken zijn in een mijnschacht gegooid. Ze hadden op het verkeerde adres, bij een fanatieke NSB-familie, aangeklopt. Leo was 39 jaar. De naam en leeftijd van zijn vriendin weet ik niet.

Leo, hoe vind je het (we zeggen tegenwoordig geen oom of tante meer) dat jouw neef ook de journalistiek is ingegaan? Nannie, jouw zus, mijn moeder, mopperde wel eens dat ik net zo nieuwsgierig ben als jij. Ze noemde mij als ik weer eens het naadje van de kous wilde weten, een ‘weetgraag’. Hoe vind je dat, collega? Een compliment, nietwaar? Je vindt het toch goed dat ik jouw naam even aanraakte en heb gestreeld, beste Leo.

Het is bijna 9 uur nu, de zon breekt door. Voor mij, de overlevende. Nee, niet voor jullie, lieve doden. Voor jullie is dat te laat.

Zoveel namen, zoveel herinneringen, zoveel leed, voor de eeuwigheid vastgelegd en zichtbaar gemaakt. Ik loop naar boven, op de hoogte van de Weesperstraat. Ineens dringt het tot mij door dat, terwijl ik langs de namenwanden liep, het lawaai van het verkeer niet tot mij doordrong. De wereld raast hier letterlijk door, terwijl ik bij mijn familie en vele duizenden op bezoek was.

foto: Ellen van Diek

namenmonument.jpeg