JOURNALIST - COLUMNIST

Awraham Meijers

Jacob Burggraafstraat 19

1018 WA Amsterdam

T   020 626 51 30

M  06 146 329 43 

awraham.meijers@hetnet.nl 

volg mij ook op:

  • Facebook_wit
Mijn toespraak herdenking Kristallnacht
HET WAS VOORAL HUN VERDRIET,
HUN ANGST EN HUN PIJN…

Het is 1942, negentien maanden na mijn geboorte. Het naziregime van Adolf Hitler heeft veel landen in Europa bezet, waaronder ook ons land. Omdat ik uit een Joodse moeder en vader ben geboren moest ik in november bij mijn ouders weg. Ik mocht niets over hen weten, mocht mij niets meer herinneren van hun bestaan. Onder een andere voornaam – ik heette vanaf dat moment Freddie - zou ik verder leven binnen het gezin van dominee Müller in het Overijsselse Nijverdal.

Ik moest natuurlijk ook een andere achternaam hebben en omdat ik vanwege een of ander virus soms in bed plaste vond een creatief gezinslid dat Van der Plas een zeer geschikte achternaam voor mij was. Freddie van der Plas was mijn nieuwe identiteit,

Mijn ouders waren omgekomen bij de bombardementen op Rotterdam, zo werd mij wijsgemaakt, zo is het ook aan buren en leden van de kerk wijsgemaakt waar mijn pleegvader dominee was.

Liefdevol was ik opgenomen door dominee Pieter Baan Müller en zijn vrouw Adriana. Ik had plotsklaps vier zusjes en drie boertjes. De meiden verwenden mij, de jongens plaagden mij, zoals dat gaat binnen gezinnen. Zondags gingen we met z’n allen naar de kerk van ‘pappa dominee’. Als er Duitse soldaten of foute Nederlander bij de pastorie aanbelden moest ik in de tuin gaan spelen. Een kind van anderhalf jaar verbaast zich daar niet over. Dat kind verbaasde zich ook niet dat er Duitse soldaten door de straat marcheerden en dat werd gehuild omdat een van de vrienden of vriendinnen die in het verzet zat, was gefusilleerd, en dat - als het luchtalarm weer eens loeide - wij in de kelder moesten schuilen.

Tot we - nota bene op mijn verjaardag - 6 april 1945 werden bevrijd door de Canadezen. Een maand later op 4 mei was de oorlog in Nederland voorbij. Mijn ouders hadden gelukkig de Jodenvervolging overleefd en ik ging met hen in Doesburg wonen.

Ik was weer samen met mijn eigen ouders, maar kon daar heel moeilijk aan wennen. Ik miste mijn broers – die leuke pestkoppen - en zorgzame knuffelzusjes. Ik miste mijn pleegouders, ik miste de warmte van het domineesgezin in dat nu zo verre Nijverdal.

Want het verdriet van mijn vader en moeder was niet te bevatten. Er kwamen berichten binnen dat bijna onze hele familie is vermoord; ouders, ooms, tantes, nichten, neven… Ruim 50 nabije familieleden zijn vermoord. Vergast. Verdwenen. Er werd veel gehuild. Veel gevloekt. Veel vervloekt. Veel machteloos geschreeuwd. Veel gezwegen. Heel veel verzwegen. En opnieuw werd er gehuild.

Op woensdagmiddag, als we vrij hadden van school, ging ik bij mijn vriendjes spelen. Soms was er ook een opa of oma en dan was het helemaal dolle pret. We mochten wel eens spelen, thuis bij de opa en oma van een vriendje. Op een dag vroeg ik mijn moeder waarom ik nooit met mijn vriendjes bij mijn opa en oma mocht spelen. Moeder begon vreselijk te huilen, gooide iets kapot en riep: “ Die zijn er niet, jongen. Dat weet je toch!”. Een kind van 6 jaar weet weinig.

De jaren die volgden deelde ik het verdriet met mijn ouders, begreep hun ellende, begreep het oneindig verdriet van de Joodse overlevenden. Maar het was hún verdriet en ellende; niet dat van mij persoonlijk. Later, als journalist, schreef ik artikelen over de Tweede Wereldoorlog, maakte verslagen van Dodenherdenkingen, ging naar 4mei herdenkingen. Ik maakte een lijst van joodse wetenschappers, kunstenaars, schrijvers en componisten en Joden uit de amusement- en filmwereld, die vanwege de gevolgen van de Kristallnacht hun Duitsland ontvluchtten. Natuurlijk was ik ontroerd over al dat onrecht, voelde mij soms vreselijk alleen. Maar altijd was dit het verdriet om de anderen.

Tot een avond midden jaren tachtig: Op televisie werd de documentaireserie Shoa vertoond van de dit jaar overleden Franse filosoof en documentairemaker Claude Lanzmann, over de vernietiging van het Europese Jodendom door de nazi’s. Op tv beelden van een perron – ik meen in Polen - waar de trein wacht tot alle Joden als vee ingeladen zijn, om daarna naar Auschwitz te vertrekken, naar de gaskamers.

Op het perron een paar kindjes. Kennelijk zijn ze in de chaos hun ouders kwijtgeraakt. Kinderen met angstige gezichtjes. Kinderen die vruchteloos zoeken. Kindjes die net zo oud zijn als ik tijdens de oorlog... Ik brak en kon niet meer stoppen met huilen: Steeds weer die beelden van onschuldige kinderen die binnenkort vermoord zouden worden. Al spoedig zouden zij geen ouders meer hebben, hun ouders zouden geen kinderen meer hebben. Ik werd deze beelden als het ware ingezogen. Ik zou een van die kinderen kunnen zijn. Nee, had moeten zijn. Ik had er volgens de nazi’s bijgehoord. Toen.

Vanaf dat moment, na die documentairebeelden van Claude Lanzmann, ben ik in gedachten vaak bij mijn vermoorde Poolse vriendjes en is die pijn, dat verdriet om al die vermoorde mensen, om al die vervolgden, om al die ontheemde vluchtelingen, om al die gemartelden, al die uitgehongerden, ook mijn onuitwisbare verdriet.

 

Acht november 2018. Het is in ons vredige West-Europa nauwelijks te bevatten dat er nog steeds onrecht in de wereld is. Dat onschuldige mensen met de dood worden bedreigd omdat ze zijn wie ze zijn. O ja, wij weten dat er uit het Midden-Oosten… We weten dat er uit Afrikaanse landen… En wij weten dat in Aziatische landen talloze mensen op de vlucht zijn. We weten ook dat in bepaalde Zuid-Amerikaanse landen stromen vluchtelingen gedwongen zijn hun heil ergens anders te zoeken…

Tussen al die beelden die ons vandaag bereiken via de tv, zie ik steeds weer die kinderen op dat perron in Polen; onschuldige kleuters, die kennelijk een gevaar betekenden voor de wereld van Adolf Hitler en zijn fascistische bendes en daarom niet gewenst waren en dus uitgemoord moesten worden, samen met hun ouders, hun grootouders en familie.

 

Beste mensen; laten wij, zoals we hier bijeen zijn om te herdenken, laten wij onze stem verheffen en eisen dat wij in een wereld willen leven waarin ieder mens, elke individu, het recht heeft op een menswaardig bestaan. Ik dank u.